Het is al meer dan 50 jaar geleden dat Casper den Hollander voor het eerst voet aan wal zette in Fak-fak. Als dienstplichtige werd hij in 1961 uitgezonden naar Nederlands Nieuw-Guinea. Die tijd heeft een blijvende indruk op hem gemaakt. Veertig jaar geleden bij de oprichting van Hapin besloot hij dan ook meteen donateur te worden.

Hij herinnert zich die periode nog levendig: “We hadden geen keuze. Na een korte tropenopleiding werden we uitgezonden naar Nieuw-Guinea. Met een unit van 130 man moesten we de Europese bevolking beschermen in een gebied groter dan Nederland.” De eerste maanden waren rustig. “’s Ochtends werkten we, ’s middags waren we vrij. Af en toe gingen we op patrouille met de mensen van het bestuur.” In politieke kringen werd er ondertussen stevig onderhandeld over de toekomst van het gebied. “Het gonsde toen al van de geruchten. Op Koninginnedag 1962 werden de eerste Indonesische infiltranten bij Fak-fak gedropt.”

“Van tevoren was ons weinig verteld over de bevolking. Ook tijdens onze stationering hadden we weinig contact met de Papua’s. We waren erg voorzichtig. Gelukkig waren ze ons goed gezind en konden zij ons door de jungle leiden. Anders hadden we het zeker niet gered.” Met dit in zijn achterhoofd blijft Casper Hapin en daarmee de Papua’s steunen. “Misschien dat ik zelf nog eens ga kijken hoe Fak-fak er nu bij ligt.