Aart Korpel maakte 56 jaar geleden voor het eerst kennis met Papua. Hij koestert mooie herinneringen aan die tijd en heeft de band met het land warm gehouden door er een aantal keer terug te keren. Ook is hij al vele jaren donateur van Hapin.
Hoe kwam u de eerste keer in Papua terecht?
Mijn eerste kennismaking met het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea was in juli 1958, inmiddels zo’n 56 jaar geleden. In die periode vervulde ik mijn militaire dienstplicht bij het Korps Mariniers en werd ik uitgezonden naar Papua. De reis van Nederland naar Biak per vliegtuig duurde in die tijd maar liefst 44 uur. De aankomst op het eiland Biak was midden in de nacht en het eerste wat mij opviel was de drukkende hitte en het lawaai van krekels. Na enkele dagen acclimatiseren vlogen we door naar de Vogelkop. Ik werd telegrafist Verbindingsdienst op het radiostation van de marine kazerne in Sorong.
Wat staat u nog bij van de bevolking?
Omdat personeel binnen een militaire organisatie nogal een gesloten gemeenschap vormt, hadden wij niet zoveel contact hadden met de plaatselijke Papoea’s. Behalve tijdens patrouilles in het binnenland. De bevolking was vriendelijk, goedlachs en behulpzaam. Regelmatig werd bij onze komst in de kampongs de Nederlandse driekleur gehesen en Wilhelmus gezongen. In menige kamponghut hing een statieportret van de toenmalige Koningin Juliana en Prins Bernhard. Daar moet je in Nederland eens mee aankomen…
En daarna?
Eind maart 1959 ben ik met “repat” gegaan naar Nederland en in april ben ik afgezwaaid. Ik ben nog steeds blij dat ik deze periode bij het Korps Mariniers heb mogen meemaken. Voor mij was de dienstplicht geen verloren tijd. In de jaren negentig ben ik met mijn vrouw, kinderen en vrienden (ex-mariniers) nog enkele keren terug geweest naar Papua. Dit ging nog niet georganiseerd, zoals tegenwoordig, maar op eigen houtje.
