Op 23 februari 1972 werd in het Zeeuwse Veere de stichting Hulp aan Papoea’s in Nood opgericht. Dat gebeurde in de huiskamer van Thera Beun-Voorstad die samen met Nicolaas Padding en Nicolaas Jouwe de drijvende kracht achter de stichting was. Nu, veertig jaar later, kijkt ze terug op die tijd.
“Ik heb vele jaren met veel plezier in en voor Nieuw-Guinea gewerkt in gouvernementsdienst. Destijds was ik er van overtuigd dat de Papoea’s op weg naar zelfstandigheid werden geholpen. Des te groter was de schok toen in 1969 de Act of Free Choice werd gehouden. Ik woonde toen al weer een hele tijd in Nederland, maar had sterk het gevoel dat we iets moesten doen voor de Papoea’s. Een afvaardiging van Papua’s was naar New York gegaan om voor het gebouw van de VN te demonstreren. Op die manier probeerden ze de overdracht van Papua aan Indonesië tegen te houden. Wij wilden hen een hart onder de riem steken, dus gingen we aan de slag. In een recordtempo wisten we 155.000 handtekeningen en 80.000 gulden in te zamelen voor de Papoea’s die in New York zo hard hun best deden om gehoord te worden.”
Vanuit dit initiatief is Hapin geboren. In 1972 was de stichting officieel een feit. In de akte van oprichting staat de doelstelling als volgt omschreven. “Het behartigen van het welzijn van de in nood verkerende autochtone bevolking van het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea, door haar alle mogelijke financiële, materiële en morele en steun te verlenen.” Die steun kwam er vanuit alle uithoeken van het land. “We zamelden spullen in en stuurden die naar Papua. Kleding, linnengoed, speelgoed en medicijnen. Ze hadden daar niets. We schreven al onze kennissen aan, zetten advertenties in kranten. Op een gegeven moment gingen we zelfs het telefoonboek nabellen op zoek naar nieuwe donateurs.” Het geld werd aanvankelijk gestoken in weeshuizen en internaten, maar ging ook naar vluchtelingen. Later breidde de projecthulp zich uit.
In die dagen werd er ook flink gelobbyd. Politici en journalisten in binnen- en buitenland werden opgeroepen om zich het lot van de Papoea’s aan te trekken. Ook de contacten met Papoea’s over de hele wereld werden warm gehouden. “We waren altijd bezig met het schrijven van brieven”, zegt mevrouw Beun-Voorstad. “Dat was soms echt nachtwerk. Onze gezinnen hebben er misschien wel eens onder geleden, maar we voelden die noodzaak. Dat is nu niet anders. Nog steeds denk ik dat de Papoea’s in vrijheid hun eigen keuzes moeten kunnen maken, en nog steeds denk ik dat ze onze steun daar bij kunnen gebruiken.”
