Door Elza Zijlstra

Twee jaar geleden kwamen Indra Firmansyah (28) en Elen Bless (30) (beiden vrijwilliger bij Hapin) naar Nederland om te studeren aan de Wageningen Universiteit. Binnenkort vertrekken ze met een mastertitel op zak naar respectievelijk Jakarta en Papua. Beiden kijken terug op een goede tijd in Wageningen, maar nu willen ze graag terug om hun kennis in te zetten voor de bevolking van Papua. ‘Papua is in potentie een rijk land. We moeten ervoor vechten dat de Papuabevolking een eerlijk deel van de rijkdom krijgt’, aldus Elen.

Waar Indra alleen Indonesisch voedsel miste terwijl hij in Nederland verbleef, miste Elen vooral het sociale leven. ‘In Papua komen we iemand tegen en we beginnen te kletsen. Daarna word je uitgenodigd voor eten en de avond vliegt voorbij. Hier moet je altijd een afspraak maken.’ Maar ze vindt het wel indrukwekkend te zien hoe goed georganiseerd alles loopt op de universiteit. Ook over Nederlandse studenten zijn Indra en Elen enthousiast. Elen: ‘De studenten hier zijn heel onafhankelijk, kritisch en gemotiveerd. Dat is iets dat ik mijn studenten in Papua mee wil geven. ’

Bodemkwaliteit

Elen komt van Sorong. Na haar middelbare school te hebben afgerond ging ze landbouw studeren in Manokwari. Na haar studie werd zij door Freeport gerecruteerd om mee te werken aan een koffiebonenproject voor een lokale gemeenschap. Na twee jaar keerde zij terug naar haar universiteit om les te geven. Elen zal in oktober haar master in soil quality afronden. Zij deed onderzoek naar manieren waarop bepaalde planten nutriënten uit de grond halen.

Indra, die een bachelorgraad haalde in marine engineering aan de universiteit van Surabaya, studeerde environmental management. In Papua werkte hij voor verschillende non-gouvernementele organisaties, waaronder Ama Mater, een organisatie die wordt gesteund door Hapin. ‘Ik zag in Papua dat de mensen vaak niet milieuvriendelijk zijn. Het is goed de technieken te kennen om bijvoorbeeld goed sanitair op te bouwen, maar empowerment van de mensen is net zo belangrijk. Je moet weten hoe de technieken te implementeren. Daarom wilde ik management studeren.’ Indra’s ouders komen oorspronkelijk van Sulawesi, maar Indra is geboren en opgegroeid in Merauke. De masterthesis van Indra richtte zich op het milieuvriendelijk saneren van water door middel van algen.

Langdurig monitoren

Indra heeft het werk van Hapin leren kennen toen hij werkte voor Ama Mater. Hij vindt dat Hapin erg goed werk doet, maar hij mist soms de aandacht voor intensieve begeleiding en langdurige monitoring. ‘Je moet de mensen voor wie je een project opzet heel langzaam en geduldig onderwijzen. Je moet dat doen voor lange tijd, zodat ze uiteindelijk op eigen benen kunnen staan’. Elen kende Hapin van de studiebeurzen in Papua. In Nederland maakte zij kennis met Hapin via haar vriendin Theresia. Elen vertelt: ‘Toen ik het kantoor van Hapin bezocht, zag ik foto’s van allerlei vrienden van mij aan de muur hangen! Zij hadden allemaal een studiebeurs gekregen via Hapin.’

Indra en Elen kennen de problemen van Papua van binnenuit. Een zeer belangrijk probleem ligt hun insziens in het gebrek aan goed onderwijs, met name in de afgelegen streken. Leraren willen daar niet werken. ‘Empowerment begint bij onderwijs’, zegt Indra. ‘Als mensen geschoold zijn, kunnen ze bijvoorbeeld producten van hun land bewerken en voor meer geld verkopen dan slechts het rauwe product. Ook zullen ze beter leren rekenen en met geld om leren gaan’. Elen ziet ook een probleem in de cultuur van Papua: ‘Papoea’s vinden het al snel wel goed. Ze hoeven niet zo nodig steeds meer en meer.’

Bureaucratisch gevecht

De meeste Papoea’s kiezen eerder voor een baan bij een NGO of de regering dan dat ze een handeltje of winkel opzetten. Daarnaast vertelt Elen over de enorme bureaucratie die alles vertraagt. ‘Voor een klein dingetje moet je soms een maand bureaucratische gevechten aan gaan.’ Dan is volgens Elen er het grote probleem van discriminatie en marginalisatie van de oorspronkelijke Papuabevolking. Door de Indonesische immigratie verworden de Papoea’s tot minderheid in hun eigen land en doordat ze vaak niet goed onderwijs hebben genoten hebben ze een achterstand op de immigranten. De autonomie die door Indonesië is gegeven, heeft volgens Indra en Elen nog niet veel opgeleverd. Er zijn wel flinke geldstromen richting Papua, maar het geld schuift op papier heen en weer tussen (soms corrupte) ambtenaren en bereikt nooit de mensen die het nodig hebben.

Elen vertelt: ‘De autonomie is niet de oplossing. De autonomie is een zak geld, een zoet snoepje dat wordt gegeten door de hogere klassen. De zak geld trekt verkeerde mensen aan en zo ontstaat er eerder een nieuw netwerk van corruptie dan dat het goed doet’. Indra is van mening dat de immigratie niet te stoppen is in deze ‘global society’, maar vindt dat de regering er álles aan moet doen om de Papoea’s te beschermen en helpen – en dit zeker niet alleen door geld te geven.

Discriminatie

Elen merkt dat de discriminatie van Papoea’s in Papua aan de orde van de dag is en heeft dit ook aan den lijve ondervonden. Goede banen, ook bij Freeport, gaan niet naar Papoea’s en veel studiebeurzen ook niet. Wanneer Papoea’s proberen op te komen voor hun rechten, wordt dat gezien als seperatisme en Indonesië lost dit op door middel van militair machtsvertoon. Mensenrechtenschendingen zijn geen onbekend fenomeen. Indra is hier een ietwat andere mening toegedaan. Sinds de autonomie heeft hij het gevoel dat alle inwoners van Papua gelijk behandeld worden. Als het Papua’s niet lukt bijvoorbeeld een studiebeurs te krijgen, ligt dat eerder aan de vereisten waaraan sommige Papua-studenten niet voldoen. Hier wordt echter aan gewerkt door voor sommige beurzen en banen slechts oorspronkelijke bewoners te recruiteren.

En de toekomst? Ziet die er rooskleurig uit? Beiden zijn even stil. De vraag raakt Elen zichtbaar. Dan begint Indra: ‘Het wordt problematisch als de kwaliteit van het onderwijs niet zal stijgen en als Papoea’s niet beschermd worden. Maar laat ze niet in de steek! Organisaties als Hapin spelen een belangrijke rol hierin. Verder is alleen geld geven door NGO’s en de regering nooit genoeg. Langdurig assisteren en monitoren is van groot belang.’ Elen sluit af met hoe zij geïnspireerd werd door ontmoetingen met oudere Papoea’s tijdens de lancering van het boek van Viktor Kasiëpo. ‘Wij, jonge studenten, geven deze Papoea’s hoop. En deze gedachte bemoedigt mij om heel hard te studeren, terug te gaan naar Papua en daar hard te werken voor mijn volk.’